Deze partituur van Hugues Dufourt neemt als uitgangspunt Het landschap met de boot van Charon (circa 1515-1524) van Joachim Patinir, een schilderij waarop de Styx zich ontvouwt als een centrale as die tegengestelde oevers zowel scheidt als verbindt. Net als deze vogelvluchtvisie bouwt de muziek een breed orkestrale panorama op, waarin de perceptie van tijd en ruimte verandert door grote hangende passages en voortdurend bewegende details.
Het muzikale concept draait om een bewuste instabiliteit: de harmonie "barst", het materiaal begint te trillen en verspreidt zich van sectie naar sectie tot een ontbranding van akkoordmassa's. Dufourt zet twee schrijfwijzen tegenover elkaar. De eerste, van spectrale aard, onderzoekt de relaties tussen harmonie, timbre, intensiteit en duur, met het streven naar een continue transformatie vergelijkbaar met een gegeneraliseerde modulatie. De tweede, de zogenaamde paradoxale, richt zich op diffractie en distortie technieken: multiphonics, onverwachte timbrecombinaties, variatie in speelwijzen en instrumentale texturen.
De orkestrale dimensie wordt behandeld als een sonore "geografie": licht en schaduw beantwoorden elkaar, lagen overlappen en diepte ontstaat door de gradatie van kleuren. Deze benadering maakt de partituur tot een sterke keuze voor musici en dirigenten die op zoek zijn naar een hedendaags repertoire waarin het orkest een laboratorium van klanken wordt, terwijl het een grote dramaturgische samenhang behoudt.
In opdracht van Radio France en de Franse staat is het werk opgedragen aan Pierre-André Valade. Onderzoek naar nieuwe instrumentale technieken werd geleid en gecoördineerd door Dominique Delahoche, met bijdragen van specialisten per instrumentfamilie (fluiten, klarinetten, hobo's, fagot, trombones), wat de aandacht voor precisie in speelwijzen en de rijkdom aan orkestrale combinaties benadrukt.