Deze partituur voor orkest past binnen een diep evocatieve benadering: het vertalen in muziek van het gevoel van uitgestrekte ruimten, de helderheid van hoogten en de fragiele schoonheid van besneeuwde landschappen. De componist keert terug naar een oude inspiratiebron, geboren uit een overvlucht van de Alpen op een winterochtend, wanneer de vloeiende beweging van het vliegtuig leek te zweven boven de woelige, uitgesneden en door de zon rood gekleurde toppen. Uit dit contrast tussen stabiliteit en ruwe kanten ontstaan orkestrale texturen die afwisselen tussen uitgerekte lijnen, fonkelingen en klankmassa's.
Na verloop van luisteren verschijnen er muzikale "beelden": het gevoel van hoogte, de glans van de sneeuw, en die karakteristieke klingelingen van de transhumantie, opgeroepen door een fijn werk op de bellen van de kuddes, meervoudig en ritmisch. Maar de hulde aan het landschap is niet alleen contemplatief: het discours laat ook ruimte voor transformatie en verlies, met passages die dooi, scheuren en instortingen suggereren. De verwijzing naar terugtrekkende gletsjers, zoals die van de Meije, geeft het geheel een extra dimensie, zowel poëtisch als helder.
Ideaal voor musici en dirigenten die een hedendaagse orkestrale schrijfwijze willen verkennen, gericht op klankkleur, resonantie en kleur, biedt deze partituur een meeslepende ervaring waarbij het verhaal via het klankmateriaal zelf verloopt. Een werk dat de kracht van het orkest, de precisie van detail en een gevoelige reflectie over de "sneeuw van weleer" combineert.